Tijdens het repetitieproces schrijven de acteurs wat hen bezig houdt. Deze blogs zijn ook te vinden op toneelgroepoostpool.hyves.nl
18 mei 2009 door Sanne den Hartogh

Sinds een week aan het repeteren voor Los. Over het feestgedrag van de Nederlander. Ik dacht altijd dat we wel vrij redelijk scoorden op de feestmeter, maar niks blijkt minder waar. Marcus, onze regisseur en tevens Braziliaan, heeft ons laten weten dat we er niet veel van bakken: vanaf een uur of twee in de kring met koffie en taart, rond vier uur een toastje, wat pinda’s en de eerste voorzichtige alcohol, om zes uur nog een kopje soep (als je mazzel hebt) en om zeven uur mag je gelukkig weer weg. En echt goeie gesprekken weten we daarbij ook niet te voeren. Het weer, fileleed, dat alles zo duur is, de kanker van tante Rie, de hond van ome Piet en dan heb je het wel weer gehad. Echt los komt het niet. Beter zit je in Brazilië.
Ik vond het nogal een boute stelling. Maar die leveren over het algemeen een goed startpunt op voor je repetities.
Ik kom altijd wel op leuke feestjes. Ook als ik in een kringetje zit met m’n familie. Sinterklaas is altijd een hit, Oud en nieuw zegt me niet zoveel, maar genereert wel leuke nachten, muziekfestivals, vind ik ons ook goed in, is toch ook een soort feestelijk uitpakken met massa’s onbekende mensen. En dan heb ik het nog niet eens over carnaval en konninginnendag, wat Nederland (of een deel daarvan) toch vrij uitgesproken viert…
Dit kwam gelukkig ook snel aan bod in de eerste repetitieweek. Op dag twee vierden we achtereenvolgens:
De verjaardag van Lard, die voor de gelegenheid jarig was gemaakt en overwegend slechte kado’s kreeg.
Carnaval, inclusief Spidermanpakken, kostuums van maandverband, een karaokeset en festivalbier.
Sinterklaas, met lootjes, gedichten, een vrij overtuigende Sinterklaas en een Piet die voornamelijk bezig was radslagen te maken.
En een vrijgezellenfeest voor Stefan, die de volgende dag zou trouwen met Ans, maar van zijn vrienden nog een laatste hete nacht kado kreeg met Angela, een oude jeugdliefde, die onder valse voorwendselen was overgevlogen uit Australie.
Het was een vermoeiende dag.
De rest van de week zijn we vooral op zoek gegaan naar feestjes die niet van de grond komen. We improviseren veel. Intussen hebben we een lijst opgesteld met clichézinnen die je hoort op een feestje dat maar niet op gang wil komen. We konden er heel snel, heel veel bedenken, wat misschien ook iets zegt over ons eigen ‘clichévermogen’. ‘Jongens, gewoon pakken hè, het staat er voor’, ‘Kon je makkelijk parkeren?’, ‘Leuk zo, met die kussentjes’ en ‘voordeel van de euro is wel dat je niet meer hoeft te wisselen’.
Er liggen zo’n 25 pagina’s met dat soort zinnen. De veelheid ervan lijkt te gaan werken als we weggaan van realistisch spel; iedereen speelt met een soort rare twist waarbij we net te hard praten, onlogische stiltes laten vallen en de woorden te geprononceerd uitspreken. De tekst wordt bijna een partituur met een eigen kwaliteit in toon en ritme. Daarmee zou het volgens mij ook een soort ode aan het verbale cliché kunnen worden.
Want misschien verdient het wel een ode. De overbekende, leeggelulde koetjes en kalfjes bieden immers ook een houvast als mensen op feestjes nog aan elkaar moeten wennen. Omdat iedereen de clichés kent, zijn ze vertrouwd en is er als vanzelf overeenstemming tussen de mensen. Misschien zijn ze eigenlijk meer bedoeld om over en weer ‘geluid te maken’ dan om echt een gesprek te voeren, zodat je kan wennen aan elkaars toon, op dezelfde frequentie kan komen en als dat gelukt is kun je het daarna ècht leuk gaan hebben. Kom je los.
Zelfs in Nederland.