Stefan Rokebrand blogt over het repetitieproces van Van de brug af gezien 05.02.2010

Magische momenten
Als toneelspeler heb je heel soms momenten waarop alles op zijn plek valt. Je bent aan het repeteren, en wat het precies is laat zich lastig omschrijven, maar alles lukt en iedere keuze die je maakt klopt: je pauzes zijn perfect getimed, je toon is precies raak, alles lijkt vanzelf uit je op te borrelen, je bent een toonbeeld van beheersing en overgave, terwijl dat toch een schier onmogelijke combinatie lijkt.
Magische momenten.
Je kunt er heel soms ook eentje bereiken tijdens een voorstelling. Maar dan moet je écht mazzel hebben; ze lijken zich namelijk niet af te laten dwingen. Alle acteurs kennen deze momenten, altijd streven ze die na, en echt bereiken doe ze ze heel zelden. Niet-acteurs kennen ze ook trouwens; Op het sportveld bijvoorbeeld; zo'n middag waarop je iedere pass met werkelijk Cruijffiaanse precisie aflevert. In de keuken; als het recept dat je eigenlijk maar nauwelijks kent, perfect in elkaar valt: de doseringen, de timing van het gaarstomen van de groenten, het grillen van het vlees en het mooi al dente koken van de pasta. In het verkeer: je fietst door de stad, overziet alle verkeerssituaties al ver van tevoren, en in je eigen groene golf rijd je fluitend een persoonlijk record voordeur-centraal station. Met een droge rug. Het zijn momenten waarop je hoopt dat er iemand meekijkt om je te kunnen complimenteren; zo, jij bent lekker bezig! Gelukkig heb je als toneelspeler een zeer grote kans dat er iemand is die je topmoment waarneemt; op zijn minst de regisseur en je collega's in een repetitie.
O, die mooie staat van zijn die je iets boven de wereld en jezelf uit tilt. Je wordt een betere versie van jezelf, een super-jij. Je kunt je ontspannen in alles wat je moet, en houdt dus ruimte over om soepeltjes en gecontroleerd te laveren tussen alles wat mag en kan. Koester ze, deze momenten. Ze zijn zeldzaam.
Gisteren deden we een doorloop van de eerste driekwart van de voorstelling. De magische momenten waren bij mij in geen velden of wegen te bekennen. Ik kwam er ook niet een heel klein beetje bij in de buurt. Sterker; ik werd een beetje kleiner dan mezelf; een soort infra-ik. Funest voor een toneelspeler, natuurlijk. Verkeerde tonen en keuzes waren raar getimed en laf ingezet. In plaats van overgave en beheersing gingen overbewustzijn en onbeholpenheid een huwelijk aan. Geen reden tot paniek hoor; daar zijn repetities voor, zullen we maar zeggen. De première is nog een week of vier van ons verwijderd, dus alles sal reg kom. Op jacht naar de magische momenten, die zich zo lastig laten vangen.
Kirsten Mulder blogt over het repetitieproces van Van de brug af gezien 22.01.2010

Einelijk me eerse blog.... weet nie precies waarom nu pa...... waarschijnlijk omda ik wil da me stukkie tekst de lading dek.... da het een compleet beeld schetst va ons reptitieproces....maargoe daa ga je al....wannee is ies compleet? Hier dan een tippie va de sluie: Vorge week prate ik nog normaal maa nu kan ik nies mee zegge, nies mee lese,nies mee denke, nies mee schrijve sonde dese taal,sonde de taal va de familie Garbone. Wij as acteurs worde geleidlijk aan de familie,alleen al doo de taal...da klinkt misschie sentimenteel maar daa gaat t ook ove....ove het sentiment, de liefde, de wanhoop, de musiek, de verlanges, ove mense, ove vashouwe, ove loslate.






wor vervolg
x Kirsten
Lard Adrian blogt over het repetitieproces van Van de brug af gezien 18.01.2010
‘Ik dach, doetes een kee andes’

Wie kijkt er dan vanaf de brug. Jullie?, het publiek of Alfieri?, het personage dat verteld over de familie Carbone. In de bewerkte versie door Erik Whien en Mathijs Verboom is personage Alfieri, dat ik zal vertolken, minder een verteller. Het lijkt wel of we in het hoofd van Alfieri zitten. Hoe dat eruit komt te zien, weten we nog niet echt, maar dat we het denken komt niet uit de lucht vallen.
Wat nu in het repetitie lokaal opvalt, is de bewerking. Het script. Mathijs en Erik wilden een eigen taal. Geen bestaand dialect. Maar wat dan wel? ‘Z’ ten in ‘S’ sen veranderen. Levert meteen toch iets Amsterdams op. Maar als je je nu dwingt dat niet aan te zetten valt het wel mee.
De familie Carbone praat niet zo veel. Dus sommige woorden zijn teveel een mond vol. Spreken ze die dan maar een beetje uit of helemaal niet. Langzaam sneuvelen er medeklinkers en lijkt er een systeem te ontstaan in het taaltje. Mensen worden Messen en niets word nies.
Op papier ziet het er echt niet uit.
Gina: Hou op, Eddie. Die jonges kijke naa alle meide.
Eddie: Ben jij ‘alle meide.
Gina: Wa wil je dak doe, Eddie? In gosnaam.
Eddie: Nou nie boos worre, meis.
Gina: Ja, wa willie va me?
Eddie: Ik be veranwoorlijk voo je, Gina. Heppik je moede self beloof, maa
Jij heb daa gee benul va, me all je gedraai en getik.
Zelfs bij het overtikken verslik je je te pas en te onpas. Bij de lezing gaat het er nog veel grappiger aan toe. Iedereen moet zijn automatisme doorbreken en echt alleen zeggen wat er staat. De een klinkt als een verkoude dronkenlap de ander als een slappe stotteraar. De volgende als iemand die een geintje met je uithaalt dat hij de microfoon de heletijd uitdraait.
: Wa da?
Zonder context wordt dit allemaal heel vreemd. Op gehoor lijkt het niveau van de familie Carbone en van ons gedaald tot een absoluut minimum.
Het is dus zaak om het toch voor in de mond uit te spreken. Wat weer nieuwe grappige personages oplevert. Joep die ineens een aanstekelijke rollende R opvoert. Wat hem een Italiaanse Groninger maakt. Bianca die ineens haar Brabants niet helemaal kan verhullen en het Utrechts schiet ook regelmatig voorbij. Maar niemand kan dat accent expres ten gehore brengen. Wat we uiteraard een tijdje met zijn alle toch proberen. Onze andere oerklanken en oeka oeka taal maar even buiten beschouwing gelaten.
Als Alfieri hoef ik me hier niet in te mengen, wat me ineens een eenzame buitenstaander maakt. Alleen al door de taal zal ik nooit een van hen worden. Het publiek kan even op adem komen, want die verstaan ten minste gewoon wat ik zeg. Soms pas je je onbewust aan de taal aan. Zeker als ik in gesprek ben met Eddie. Maar dan wordt ik weer terug gefloten door Erik. Ook ik moet met gewoon Nederlands voo me neus dus ineens extra alert blijven.
Ik heb in mijn leven al een vreemd soort dialect ontwikkeld met mijn verhuizen. Er was een tijd dat ik op een zangerig Brabants met een gooise R Amsterdams knauwde. Toen naar de toneelschool. En nog denken sommige dat ik uit polen kom.
Als ik dit terug lees is het misschien iets waar je bij had moeten zijn, want wat heb ik gelachen. Lachen doet een mens goed dus. Het zal allemaal wel goed komen. Zeker met een beetje studeren. Dit zal wel weer anders leren zijn, maar daar heeft Sanne een hele leuke blog over geschreven.