God is een Moeder | Toneelgroep Oostpool | Bas de Brouwer

Interview met Marcus Azzini, Nazmiye Oral en Sidar Toksöz

Wat was het inhoudelijke vertrekpunt voor God is een moeder?
M: De voorstelling is begonnen met de vraag: Wanneer ontstaat er conflict tussen het moeder zijn en het houden van God? Dit laatste gaat heel erg over het leven binnen een bepaalde religie en gemeenschap. Op het moment dat jouw kind kiest zich hier niet aan te conformeren, wat doe je dan? Sluit je uit? Of transformeer je? Daar hebben we research naar gedaan, bij mensen met verschillende religies, achtergronden en verhalen.
N: Die vraag gaat ook over het gegeven dat als je als vader en moeder een kind krijgt, je voor dit kind al meteen een toekomst hebt ingevuld. En hoe ingewikkeld het is op het moment waarop een kind daar net buiten valt of tegen zijn ouders zegt dat het een andere kant op gaat. Het gegeven van ergens niet bij horen en je eigen pad moeten bewandelen hebben Marcus en ik allebei sterk gekend.
M: Er zijn verhalen waarin de gemeenschap keihard is. Maar je kan ook jezelf uitsluiten. Vechten om vrijheid maar toch in verbinding blijven met je familie, dat vind ik belangrijk. Als ik het samenvat is dat een beetje het verhaal van Nazmiye.
N: Daarin lijken Marcus en ik op elkaar. Hoewel Marcus de oceaan overstak om ergens anders te gaan wonen, zijn wij allebei nooit met onze families gebroken.
M: Onze verhalen en die van tientallen mensen die we spraken in de onderzoeksfase vormden het uiteindelijke vertrekpunt.

Jullie begonnen dit repetitieproces met een fascinatie en een dikke stapel research. Hoe is het om de repetities te starten zonder te weten waar je precies naartoe werkt?  
N: Ja, dat is mijn lievelings. Bij Adelheid+Zina werken we eigenlijk altijd zo. Het is ook de moeilijkste manier van werken, omdat het heel eng is. Je vraagt je constant af; heeft wat wij te zeggen hebben wel belang? Voegt het iets toe? Hebben we überhaupt iets te zeggen? Stel je komt er achter dat dat niet zo is, dan moet je wel de ballen hebben om dat te zeggen. Dat risico. Zo zie ik theater ook. Het is een manier van reageren op waar wij als mens allemaal doorheen gaan.
S: Marcus en Nazmiye hadden een idee voor een voorstelling, en ik ben daar bij gevraagd. Ik stapte blanco de repetities in en moest daarom nog heel erg mijn eigen aandeel ontdekken. Dat was heel spannend.
M: We zijn in het maken van de voorstelling alle drie volwaardig en gelijkwaardig geweest.

Hoe verhouden jullie je tot de verhalen uit de research, wat haal je daar uit?
N: Wat zo interessant is aan de interviews is dat ik bij alle verhalen zou kunnen denken; ik ben niet homoseksueel, dus die verhalen gaan niet over mij. Maar die verhalen blijken over ons allemaal te gaan. Ze staan helemaal niet ver van ons af. Er is altijd een mechanisme van de liefde van je ouders, of het zelfgekozen pad op gaan, of je ouders de schuld geven maar eigenlijk moeite hebben met jezelf, waarin iedereen zich herkent. Ik ook. Die verhalen en mechanismes worden op die manier meegenomen in de scènes die we gaan spelen.
M: Je ziet eerst alleen de verschillen, maar als je je verdiept alleen de overeenkomsten. De rituelen in elke religie en cultuur zijn anders en de mensen zien er anders uit. Wat dat betreft staat er een wereld tussen ons in. Maar wanneer het letterlijk over menselijke dynamieken gaat. Tussen ouders en kinderen en tussen mensen en geloof, is dat precies hetzelfde. Het is dezelfde psychologie. Een kind dat volwassen is en nog steeds acceptatie van zijn ouders wil hebben, is zo herkenbaar. Dan maakt de rest niet uit.
S: Ik herken mij veel minder in de verhalen. Ik kan me heel erg goed verplaatsen in de dingen die ik lees, alleen heb ik zelf zelden iets vergelijkbaars meegemaakt. Het gevecht met jezelf, je ouders, en de mensen om je heen, heb ik niet zo heftig meegemaakt. Zeker niet binnen mijn familie.
N: De grootste gemene deler is volgens mij niet hoe hard je moet vechten om je ouders’ goedkeuring te krijgen. Wat ons allemaal bindt, is hoe je toch je ouders nodig hebt voor een gevoel van waarde. Van binnen. Ook al ben je 50 of 60.

Marcus zegt twee keer in zijn leven uit de kast te zijn gekomen; een keer voor zijn homoseksualiteit en een keer als gelovige. Herkennen jullie je in die beweging van het uit de kast komen?
S: Ik merkte laatst dat ik vroeger op de middelbare school en basisschool best wel homofoob was. Met mijn vrienden zeiden we dingen als ‘ja daar ben ik niet van’ en ‘ik vind het vies’. Naarmate ik aan theater ging doen en in een andere wereld kwam, merkte ik dat als ik niet met mijn vrienden was, ik helemaal geen problemen had met homoseksualiteit. Ik heb toen wel langzaam tegen mijn vrienden proberen te zeggen ‘wat is nou eigenlijk het probleem?’ Misschien is het 10% uit de kast komen. Omdat ik voor mezelf wilde zeggen dat ik die mening niet meer deelde. En ik deelde die mening vroeger eigenlijk ook al niet, het was niet iets waar ik over nadacht. Toen ik op de theaterschool kwam dacht ik; ik heb hier eigenlijk helemaal geen problemen mee. Ik probeer nu met mijn vrienden soms wel een gesprek te starten. Dat begint meestal met ‘ze moeten niet in mijn buurt komen’ en het eindigt met ‘ja ik zou het eigenlijk niet erg vinden als een homo me aanspreekt, het is gewoon een mens’.

Wat betekent moederschap voor jullie?
N: Haha, tja dan kijken de mannen gelijk mij aan… Goed dan. Waar we het over eens zijn denk ik, is dat moederschap onvoorwaardelijke liefde betekent. Voor mij is moederschap een ruimte waar je altijd naar kan terugkeren en waar je nooit uitgezet kan worden.
M: Als ik aan de moeder denk, vind ik het sowieso een fascinerend gegeven dat een vrouw negen maanden een kind onder haar hart draagt. Dat die fysieke verbinding door de natuur zo aanwezig is, maakt dat die relatie altijd iets extra’s heeft.
S: Ik denk de hele tijd dat wanneer je moeder wordt, je heel anders naar jezelf en de wereld gaat kijken. Dat je dan nieuwe liefde gaat ontdekken, die er voorheen niet was. En dat je daardoor alles ook een beetje doet in de naam van je kind.

Welke rol gaat geloof spelen in de voorstelling?
M: We kwamen er achter dat geloof in heel veel dingen zit. Het woord geloof en religie halen we steeds uit elkaar om de begrippen beter te kunnen hanteren. We zijn geneigd om het geloof een heel groot gewicht te geven, maar we geloven in een heleboel dingen. Ik zie theater bovendien ook als een soort geloof. Je betaalt een kaartje om twee uur met zijn allen in het donker te zitten, en met elkaar ergens in te geloven.
S: Ik heb altijd gezegd dat ik helemaal niet gelovig ben, maar toen ik op een andere manier over geloof na ging denken, kwam ik er achter dat wat ik geloof heel erg lijkt op waar Nazmiye in gelooft. Terwijl ik dacht dat het een manier van denken was die alleen van mij was. Ik kwam er dus achter dat ik mijn ‘eigen geloof’ deel met anderen.

 

 

Sluiten