Geschiedenis

Geschiedenis

In 2018 bestaat Toneelgroep Oostpool alweer vijfenzestig jaar. Het is de vierde naam voor het beroepsgezelschap van Oost-Nederland dat al die tijd in Arnhem gevestigd is, eerst als Toneelgroep Theater, Theater en Theater van het Oosten. En al die tijd werd het gekenmerkt door kwaliteit en vernieuwingsdrang.

Begin | Op 28 februari 1953 werd er formeel een theatergezelschap opgericht voor Arnhem en het Oosten van Nederland: Theater. Het was 1953, in het Westen had net de Watersnoodramp plaatsgevonden, maar Nederland was ook volop in de wederopbouw. Kortom: tijd voor positieve gedachten en ontwikkelingen, ook in het Oosten. Het nieuwe gezelschap was de vrucht van de ‘spreidingsgedachte’: voorstellingen in Gelderland en Overijssel door ‘een gezelschap dat op zijn terrein een zo groot mogelijk aandeel zal hebben bij belangrijke streekgebeurtenissen op het gebied van toneel in de ruimste zin van het woord.’ Rob de Vries en Kees van Iersel waren de artistieke leiders van het eerste uur. Zij waren jonge, vrij radicale theatermakers die hun artistieke ideeën compromisloos wilden uitvoeren, waardoor er meteen al een tegenstelling ontstond tussen de cultuurpolitieke ideeën achter de oprichting en wat we nu ‘de makers’ zouden noemen. De Vries en Van Iersel wilden theater maken dat zich kon meten met het beste in het land (lees: Amsterdam), de beleidsmakers waren er vooral op uit ‘het platteland in het Oosten van Nederland’ van theater te voorzien. De openingsvoorstelling vond plaats op 5 september 1953: De onzichtbare dame (La Dama duende) van Pedro Calderón de la Barca (regie Kees van Iersel), in aanwezigheid van Koningin Juliana en de minister van OK&W, mr. Jozef Cals. De laatste, een KVP politicus afkomstig uit Nijmegen, was als staatssecretaris van OK&W en later als minister een drijvende kracht achter de oprichting van een gezelschap in Oost-Nederland. Theater had een vast ensemble van ruim dertig acteurs, die in Arnhem moesten komen wonen. Onder hen Kees Brusse, Elise Hoomans, Bernhard Droog, Siem Vroom, Carl van der Plas, Anny de Lange, Wim Kouwenhoven, Anne-Marie Heyligers, Elly van Stekelenburg, Richard Flink en Hans Tiemeijer.

Wachten op Godot | Het meest opvallende wapenfeit van het jonge Theater was de opvoering van Wachten op Godot van Samuel Beckett (première 6 maart 1955 in de Arnhemse Schouwburg), in de regie van Roger Blin, die ook de wereldpremière in Parijs in 1953 had geregisseerd. Aan de voorstelling ging een relletje vooraf: de toenmalige burgemeester van Arnhem, Matser, een goed katholiek en bovendien lid van het bestuur van Theater, was ter ore gekomen dat Wachten op Godot mogelijk een homoseksuele thematiek had. Hij wilde de voorstelling tegenhouden. Hij vond zijn wethouder van cultuur, Bronkhorst (PvdA) tegenover zich. Het conflict werd uiteindelijk opgelost door een commissie van moreel gezaghebbenden onder leiding van professor Asselbergs, beter bekend als de schrijver Anton van Duinkerken. Deze gaf als oordeel dat Wachten op Godot zeker niet homoseksueel moest worden geïnterpreteerd, maar juist als een proeve van christelijke zingeving. Een jaar na het eerste seizoen brak onenigheid uit tussen De Vries en Van Iersel. De laatste vertrok naar Amsterdam, waar hij ging werken bij het eerste ‘experimentele’ gezelschap van Nederland, Studio. Theater speelde als eerste Omzien in wrok van de Engelse angry young man’ John Osborne in Nederland, in 1957, in de regie van Rob de Vries. Het repertoire (ongeveer acht nieuwe producties per seizoen) werd vooral samengesteld door Richard Flink, dramaturge Anty Westerling (misschien wel de eerste dramaturg in Nederland) en de jonge regisseur Elise Hoomans (o.a. Een zomer smeult tot as van Tennessee Williams, 1954).Zij trad in 1954 tot de artistieke leiding toe, samen met acteur/regisseur Richard Flink.

De jaren zestig | Het tijdperk De Vries duurde tot 1962, het jaar waarin hij onverwachts vertrok naar het Nieuw Rotterdams Toneel. Met hem ging een aantal acteurs. Een slepend conflict over de mate van bespeling door Theater van de Arnhemse schouwburg lag hieraan ten grondslag: het gezelschap kreeg niet de gewenste zeggenschap over de schouwburg. Dit in tegenstelling tot de gezelschappen in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Theater ging bijna ten onder aan dit conflict en het vertrek van vele belangrijke figuren. Een commissie van vier prominenten uit het Gelderse bedrijfsleven loodste het gezelschap door de volgende twee jaar heen. In 1964 namen Elise Hoomans en Hans Croiset de leiding van het gezelschap op zich. Zij werkten aan het herstel van Theater. Het gezelschap boekte een atypisch succes met een musical avant-lalettre, Stop de wereld, ik wil er van af, (Elise Hoomans, 1964) en in de volgende jaren verschenen er meer moderne klassiekers op het repertoire, zoals de Brecht-ensceneringen van Croiset. In het voorjaar van 1966 kreeg Theater een eigen zaal, in het voormalig pand van de Volksuniversiteit in de Rijnstraat: Theater aan de Rijn. Daar werden o.a. de SP’s gebracht, Speciale Programma’s, een soort geënsceneerde inleidingen/workshops voor publiek, geheel in de geest van de jaren zestig. De eerste wat wij nu kleine-zaalvoorstellingen zouden noemen, kwamen hier ook tot stand, zoals De Les van Ionesco en de eenakter Dutchman van Leroi Jones, afkomstig van het nieuwe off-Broadwaycircuit in New York. ‘Met naast zich Liesje Hoomans, zakelijk leider Gerrit Korthals Altes, dramaturg Karel Muller en acteurs als Hans Tiemeijer en Bernhard Droog maakte Hans Croiset van Theater weer een van de belangrijkste gezelschappen van ons land’ (Brabants Dagblad, 1971). De Actie Tomaat (1969), waarin studenten en de jongere generatie zich keerden tegen met name het grote gezelschap in Amsterdam, de Nederlandse Comedie, ging in die zin voorbij aan Arnhem dat er weliswaar gedemocratiseerd werd, maar dat de pijnlijke kloof tussen een oudere en jongere generatie acteurs in Arnhem niet werd gevoeld. Artistiek directeur Hans Croiset had weinig op met de actie en zijn acteurs daagden hem hierin niet uit.

Democratisering | Hans Croiset vertrok in 1971. Vlak voor zijn vertrek maakte de Tsjechische regisseur Jan Grossman een succesvolle voorstelling van Kafka’s Het Proces. Elise Hoomans zorgde voor de continuïteit. Ze regisseerde o.a. Eindspel van Beckett met een decor van de Arnhemse kunstenaar Klaas Gubbels en zette de Brecht-traditie voort met De Kaukasische Krijtkring. Ze vormde met dramaturg Karel Muller de leiding. Eric van der Donk, Joop Keesmaat, Arthur Boni, Margreet Blanken en Peter van der Linden speelden in deze periode bij Theater. En Gerrit Korthals bleef tot 1974 zakelijk leider. Het gezelschap deed volop mee aan de nationale hobby van die tijd: de democratisering. Het was zelfs het eerste ‘gedemocratiseerde’ gezelschap in Nederland. Er kwam inspraak in wie er in de leiding zat, in de repertoirekeuze, er was een structuurplan en acteurs zaten in het bestuur. In 1972/73 debuteerden Ger Thijs en de Duitser Jochen Neuhaus als regisseur bij het gezelschap. Er ontstond een rel rond Luther, Munzer of de dubbele boekhouding van Dieter Forte, regie Elise Hoomans, première 6 januari 1973. ‘Politieke satire of leugenpropaganda’ – van bisschop Gijsen t/m de minister van cultuur bemoeit men zich ermee. Bekende acteurs in deze periode zijn o.a. Nettie Blanken, Margreet Blanken, Trees van der Donck, Hans Tiemeijer en Bernhard Droog. Zakelijk leider was Jacques Luijer vanaf 1974, hij zou dat tot begin jaren ’90 blijven. René Lobo (33), die al eerder regies voor zijn rekening nam, voegde zich in 1977 bij de artistieke leiding, naast Elise Hoomans en Karel Muller. Ger Thijs werd vaste regisseur. Blijspelen van Alan Ayckbourn stonden tot genoegen van het publiek op het repertoire, met name Verre Vrienden, regie Ger Thijs, met Eric van der Donk. In 1978 werd de laatste bekroond met de Louis d’Or voor zijn rol in De Spaanse Brabander van Bredero. In 1978 ging de kleine zaal in de Arnhemse schouwburg open en werd het gezelschap verplicht vooral daar te spelen in plaats van in het eigen Theater aan de Rijn. In 1978 was ook de 25 jarige jubileumvoorstelling: Het zomerverblijf van Carlo Goldoni. Eind 1979 nam Elise Hoomans afscheid, na 25 jaar bij Theater, als actrice en als regisseur. Jochen Neuhaus en Ger Thijs namen de artistieke leiding over.

De jaren tachtig | Een moeilijke periode brak aan. Het boterde niet echt tussen de twee regisseurs en ook niet tussen hen en de acteurs. Ger Thijs wilde vooral onafhankelijk zijn als kunstenaar en had niet echt zin in het leiden van het gezelschap; Neuhaus werd door de acteurs als te autoritair ervaren. Thijs en Neuhaus wilden beiden veranderingen in het reeds lang zittende tableau. Dit werd niet op prijs gesteld door de acteurs. Er ontstond een verstoorde relatie, met name met steracteur Bernhard Droog. Het was ook de tijd van een economische teruggang: de werkeloosheid liep sterk op en het financieringstekort van de overheid steeg. Dus werd er bezuinigd, voor het eerst ook op kunst en cultuur – de start van een neoliberale traditie die tot op de dag van vandaag voortduurt. Bij Toneelgroep Theater was die in het seizoen 81/82 85.000 gulden op een begroting van ruim 5.5 miljoen gulden. Er gebeurt iets wat kenmerkend lijkt voor de jaren tachtig: verdergaande veranderingen in de vorm van het theater, modernisering, en het begin van achterblijvende publieke belangstelling – de voorstellingen zijn moderner dan het publiek. In 1983 vertrok Ger Thijs alweer, richting Amsterdam. In hetzelfde jaar haakte ook een aantal kleine gemeentes geheel af in de subsidiering, met als gevolg een gat van maar liefst negen ton in de dekking. Er werden achttien mensen ontslagen bij Toneelgroep Theater, in alle geledingen. Het aantal grote-zaalproducties per seizoen werd teruggebracht van vier naar drie. In 1983 was er het succes van Een sneeuw, het schrijfdebuut van Willem Jan Otten, regie Ton Lutz, met de oude Bernhard Droog en Elise Hoomans in de hoofdrollen. In 1984 vertrok Jochen Neuhaus, terug naar Duitsland.

Gees en Helmert | Het gezelschap zat met een opvolgingsprobleem. Er waren nog maar negen acteurs in vaste dienst na de artistieke crisis en de bezuinigingen. Het bestuur schoof begin 1984 twee acteurs, Gees Linnebank en Helmert Woudenberg, als gemeenschappelijke leiding naar voren. Beiden waren onafhankelijk van elkaar bezig met de vorming van een groep, en kenden elkaar niet, maar vonden elkaar onder de noemer ‘spelplezier’. De kracht van de acteur werd vooropgesteld, het tweetal vond dat regisseurs, concepten en dramaturgen te zwaar drukten op het theater. Het gezelschap presenteerde zich in september 1984 met Molière, of het verbond der schijnheiligen van Bulgakov. Naast de oude acteurskern kwamen er jonge acteurs: o.a. Hajo Bruins, Caroline Beukman, Hein van der Heijden, Barbara Gozens en Peter Bolhuis. Er werden jaarlijks ongeveer zeven producties gemaakt. Succes had Cyrano de Bergerac in 1985, met Gees Linnebank in de hoofdrol. Het was de tijd van de commissie De Boer, die het theaterlandschap in Nederland drastisch hervormde. Bezoekersaantallen waren gestaag gedaald (niet alleen bij Theater), George Lawson, hoogste ambtenaar bij WVC, bepleitte concentratie van theater in de grote steden en de regionale en lokale overheden sprongen dit keer niet in de bres. Grosso modo bracht de commissie De Boer twee dingen tot stand: er kwam een einde aan de kleine subsidies van kleine gemeentes in de verzorgingsgebieden, ten gunste van subsidiering door het Rijk. De gemeentes moesten voor de huisvesting zorgen. En ten tweede: subsidies moesten ‘eindig’ worden: het begin van de vierjaarlijkse kunstenplansystematiek. Daarin moesten de grote gezelschappen weliswaar blijven, maar ze moesten veranderbaar worden: een nieuwe leiding om de zoveel tijd. WVC wilde Toneelgroep Theater opheffen. De stad Arnhem en de provincie zwegen. Het conflict tussen de minister en Toneelgroep Theater werd uitgevochten tot aan de Raad van State die de beschikking van minister Brinkman een daad van onbehoorlijk bestuur noemde.

Theater van het Oosten, een voorziening | Uiteindelijk draaide het erop uit dat er in Groningen, Arnhem en Eindhoven zogenaamde ‘voorzieningen’ kwamen. Het waren plaatsen waar theater gemaakt kon worden, maar zonder vaste acteursgroep en alleen een productiekern waar per productie artistieke medewerkers aan werden verbonden. Eind 1987 werden alle vast artistieke, productionele, technische en kantoormedewerkers van Toneelgroep Theater ontslagen, een aantal van de laatste drie categorieën kwam weer in dienst bij de nieuwe voorziening Theater van het Oosten. Die ging in 1988 van start onder artistiek leiderschap van regisseur Agaath Witteman. Zij boekte in 1989 succes met haar enscenering van Schrijf me in het zand, een stuk over incest van Inez van Dullemen. In weerwil van alle cultuurpolitieke wensen ontstond er een groep medewerkers om Witteman heen, zij het dat ze niet vast aan Theater van Oosten verbonden waren. Wittemans periode had een feministische inslag. Zij werd vooral bekend door een aantal Griekse tragedies, o.a. Medea en De Smekelingen. Ivo van Hove maakte in 1990 een succesvolle regie van Shakespeare’s Richard II.

De periode Leonard Frank | In 1992 ging men op zoek naar een nieuwe artistiek leider en dat werd Leonard Frank, die eerder Baal leidde. Hij had al eerder een regie bij het gezelschap gedaan in het jaar daarvoor, het goed ontvangen Leeg Huis van Marga Minco. Franks interesse voor onderwerpen uit de Joodse geschiedenis was in de komende jaren merkbaar. (Leeg Huis van Marga Minco, Rijgdraad van Judith Herzberg, De Jodin van Toledo, De Golem) Hij nam echter ook veel Amsterdamse achtergrond mee en liet blijken geen band met Arnhem te hebben, wat hem niet in dank werd afgenomen. Frank haalde op incidentele basis twee jonge regisseurs naar Theater van het Oosten: Koos Terpstra en Jeroen van den Berg. Franks grootste successen lagen aan het begin en eind van zijn periode: Leeg Huis van Marga Minco (1992) en van Arthur Miller Van de brug af gezien (2000).

Een nieuw millennium: Wittenbols en Ligthert | Het bestuur van Theater van het Oosten zocht in 2000 na acht jaar Leonard Frank een frisse impuls. De voorziening moest weer een gezelschap worden. Ze kwamen uit bij de jonge regisseur Rob Ligthert, die in Maastricht samen met schrijver Peer Wittenbols De Federatie had opgericht. Ligthert en Wittenbols kwamen in 2000 naar Arnhem, met vier acteurs en een nieuwe zakelijk leider, Alex Kühne. Het gezelschap kreeg de naam Toneelgroep Oostpool en werkte met een subsidie van iets meer dan twee miljoen euro. Het gezelschap wilde weer nadrukkelijk de band met Arnhem en Oost-Nederland aanhalen, getuige ook de eerste productie: een groots opgezette King Lear op locatie in de Eusebiuskerk. Het Oostpool van Ligthert werkte vooral in de kleine zalen en op locatie (vaak in een grote tent op de zogenaamde ‘zomerexpeditie’ door Oost-Nederland), met zo nu en dan een uitstap naar de grote zaal. Belangrijke schakel in de opbouw van een vast publiek was de opening van een nieuw eigen theater in 2003 aan de Nieuwstraat, Huis Oostpool, waar voorstellingen in series van 15 tot 25 werden gespeeld. Vaste acteurs in deze jaren: Frederik Brom, Anne-Martien Lousberg, Remco Melles en Juul Vrijdag en regelmatige gasten o.a. John Buysman, Oda Spelbos, Hans Hoes en Ad Knippels. Oostpool was vooral een platform voor het werk van Peer Wittenbols: virtuoos taalgebruik in een herkenbaar milieu, vaak de familie. Enkele hoogtepunten: Het Zouthuis, de komedies Het Behouden Huys en Alptraum en het ingetogen overspeldrama Op de Ziel. Enorm succes had Toneelgroep Oostpool met een voorstelling rond Jacques Brel, gespeeld door Jeroen Willems (regie Rob Ligthert), waarin Willems chansons van de meester zong, vertaald in het Nederlands. Eind 2007 kondigde Ligthert zijn vertrek per 1 januari 2009 aan. Die datum was ook start van een nieuwe kunstenplanperiode die gekenmerkt zou worden door de totstandkoming van de BIS (Basis Infra Structuur) voor het Nederlands theater.

Intendant | De uiteindelijke keuze van het bestuur van Toneelgroep Oostpool viel op een intendant: Rob Klinkenberg. Klinkenberg was in de voorafgaande acht jaar dramaturg bij het gezelschap geweest. Hij haalde twee jonge regisseurs naar het gezelschap, Erik Whien en Marcus Azzini. Het drietal zette nadrukkelijk in op de vorming van een jong acteursensemble (Lard Adrian, Joep van der Geest, Sanne den Hartog, Ali Ben Horsting, Maria Kraakman, Kirsten Mulder, Stefan Rokebrand) en op verjonging van het publiek. Ruud van Meijel volgde begin 2009 Alex Kühne op als zakelijk directeur. Het gezelschap zocht en vond een open manier van spelen, ‘met het gezicht naar het publiek toe’ en slaagde erin het publiek te verjongen, met o.a. sterk visuele voorstellingen, zoals de openingsvoorstelling Wat het lichaam niet vergeet (Azzini), en moderne interpretaties van klassiekers als Zomergasten, Van de brug af gezien (Whien) en Orlando en Hamlet (Azzini). Dit Oostpool speelde modern en klassiek repertoire in de kleine zaal en was behalve in schouwburgen nadrukkelijk ook te zien op festivals (Oerol, De Parade). Maria Kraakman won de Theo d’Or voor Orlando, Ali Ben Horsting werd genomineerd voor de Louis d’Or voor zijn rol in Van de brug af gezien. Onder leiding van jongerenregisseur Timothy de Gilde werden de educatieve en jongerenactiviteiten verder uitgebouwd in kwaliteit en kwantiteit: er kwam 3x per jaar Club Oostpool voor jong talent en jong publiek en een jaarlijkse voorstelling met jongeren.

De jongste tijd | De nieuwe kunstenplanperiode per 2013 kondigde zich aan met een verregaande reorganisatie van het theaterveld. Temidden van diep snijdende bezuinigingen door het VVD–CDA–PVV–kabinet stond Toneelgroep Oostpool, net als de andere grote gezelschappen, voor de keus om of een ‘middelgroot’ gezelschap te worden 1,5 miljoen rijkssubsidie), of een groot (2,5 miljoen). Rob Klinkenberg kondigde aan het artistiek leiderschap per augustus 2012 neer te leggen ten gunste van Marcus Azzini. Deze stelde een nieuw artistiek team aan waarvan de regisseur/schrijver Joeri Vos en het makersduo Suzan Boogaerdt en Bianca van der Schoot deel uit maken. Timothy de Gilde bleef aan als leider van de jongerenafdeling. Daarin werd voor de periode 2013–2016 samengewerkt met het jeugdtheatergezelschap Sonnevanck uit Enschede. Ruud van Meijel bleef als zakelijk directeur, regisseur Erik Whien ging zijn geluk elders beproeven.

Eén van de vier | In mei 2012 werd bekend dat Toneelgroep Oostpool zich tot een van de vier ‘grote’ gezelschappen mocht rekenen. Dat is een eervolle en omvangrijke taak voor het gezelschap, die des te zwaarder weegt omdat het zal functioneren in een omgeving waarin gesnoeid is op productiehuizen, middelgrote gezelschappen en individuele initiatieven. In 2013 is het zestig jarige bestaan van het gezelschap gevierd door een tweetal extra voorstellingen voor de stad op het programma te zetten en de inkomsten te schenken aan culturele doelen in de wijk. Los van alle feestelijkheden was 2013 vooral de start van een nieuwe kunstenplanperiode, met Marcus Azzini aan het roer als de nieuwe artistiek leider van het gezelschap en een jonge, talentvolle kern van makers die met een drang naar vernieuwing, lokale worteling, maar ook een kwaliteit op nationaal niveau meetellen. In 2014 verzorgde Toneelgroep Oostpool de openingsvoorstelling van Oerol en was uitermate succesvol bij de jaarlijkse prijzenregen op het Nederlands Theaterfestival. De voorstelling Hideous (wo)men van Bianca van der Schoot en Suzan Boogaerdt i.s.m. Susanne Kennedy won de VSCD Mimeprijs en er waren een Louis d'Or en een Colombina voor acteurs uit de voorstelling Who's afraid of Virginia Woolf. Op 10 januari 2014 werd het nieuwe repetitiegebouw van het gezelschap officieel geopend door Jet Bussemaker, minister van onderwijs, cultuur en wetenschap. Een belangrijk streven in de beleidsperiode 2013-2016 is -naast doelen op het gebied van artistieke kwaliteit, talentontwikkeling- naar meer bezoekers, meer eigen inkomsten en verbetering van de vermogenspositie. In 2015 trok het gezelschap 56.168 bezoekers en behaalde hiermee ruim zijn streven om meer bezoekers te trekken. In dat jaar was Toneelgroep Oostpool ook prominent in beeld bij de jaarlijkse prijzenregen van het Nederlands Theaterfestival. De jongerenvoorstelling GTA5 won een Zilveren Krekel en de voorstelling Angels in America werd geselecteerd voor heropvoering tijdens zowel de Nederlandse als de Vlaamse editie van het festival.

Alliantie | Begin januari 2016 is een intentieverklaring getekend voor onderzoek naar verdergaande samenwerking tussen Stadstheater Arnhem en de in Arnhem gevestigde BIS-gezelschappen Introdans, Het Gelders Orkest en Toneelgroep Oostpool onder de noemer ‘Alliantie Lauwersgracht’. Tijdens het Gala van het Nederlands Theater won jongerenproductie Bromance de Gouden Krekel voor meest indrukwekkende jeugdtheaterproductie van 2016. In 2017 hebben beide jongerenvoorstellingen (i.s.m. Theater Sonnevanck), Pretpark en It’s my mouth I can say what I want to een Zilveren Krekel in ontvangst genomen. Met het activiteitenplan 2017-2020 heeft Toneelgroep Oostpool als huis voor makers twee nieuwe regisseurs, Sarah Moeremans en Jeroen De Man, aan het artistieke team toegevoegd. Regisseurs Joeri Vos maakt nu deel uit van het artistiek team van De Veenfabriek en Bianca van der Schoot en Suzan Boogaerdt hebben zich als huismakers aangesloten bij Theater Rotterdam.

Het nieuwe motto van Toneelgroep Oostpool werd ‘Hoe nu mens te zijn?’. De vaste theatermakers van Oostpool onderzoeken voortdurend de zeggingskracht van theater in deze tijd maar onvoorwaardelijk delen zij met de toeschouwer en elkaar de vraag: Hoe nu mens te zijn?

 


Hoe nu mens te zijn?

Meld je aan voor onze nieuwsbrief
  1. Volg het repetitieproces van onze nieuwe producties, ontvang als eerste uitnodigingen voor openbare repetities, kijk mee met de inspiratiebronnen van onze makers en nog veel meer. Meld je nu aan voor onze nieuwsbrief!
  2. Vul een geldig e-mailadres in